Geld & belastingen
Meerwaardebelasting berekenen
Sinds 1 januari 2026 betaal je 10 % op de winst die je maakt bij de verkoop van aandelen en andere financiële activa. Je bank houdt dat meteen in — maar meestal te veel. Hier zie je wat je werkelijk verschuldigd bent.
Jouw situatie
Alle winst samen die je dit jaar realiseerde, over al je rekeningen.
Alleen verliezen op verkopen vanaf 2026.
Het deel van de winst dat uit de obligaties van het fonds komt. Staat op je bankafschrift of op de fiche van het fonds. Dit deel valt onder de Reynderstaks van 30 % — zonder vrijstelling.
Pas mogelijk vanaf inkomstenjaar 2027.
Bijzondere situaties
Verkoopprijs min de fiscale aanschaffingswaarde van je participatie.
De vrijstelling is een rugzak van € 1.000.000 per periode van vijf jaar, niet per jaar.
Werkelijk verschuldigd
—
Wat je bank inhoudt is niet wat je verschuldigd bent
Dit is het punt waarop de meeste beleggers geld laten liggen. Je bank houdt 10 % in vanaf de eerste euro winst, bij elke verkoop apart. Daarbij kijkt ze niet naar je jaarlijkse vrijstelling en evenmin naar de verliezen die je elders maakte — die gegevens heeft ze niet.
Het gevolg: wie in een jaar € 15.000 winst en € 5.000 verlies realiseert, ziet € 1.500 verdwijnen terwijl er na verrekening en vrijstelling niets verschuldigd is. Dat verschil krijg je alleen terug als je het zelf opneemt in je aangifte personenbelasting. Doe je dat niet, dan is het weg.
Reken bovendien op geduld: tussen de inhouding en de effectieve terugbetaling zit al gauw anderhalf tot twee en een half jaar. Het is in de praktijk een renteloze lening aan de staat.
Niet elk product wordt gelijk belast
Voor twee producten gelden aparte regels die een eigen berekening vragen: cryptomunten, waar het tarief 10 of 33 % kan zijn, en fondsen met obligaties, waar de Reynderstaks van 30 % bij komt.
Het tarief van 10 % geldt breed, maar er lopen andere heffingen naast. Voor obligatiefondsen maakt dat een groot verschil, en dat verschil zit op een plek waar bijna niemand naar kijkt.
| Product | 10 % meerwaarde | Reynderstaks 30 % | Beurstaks |
|---|---|---|---|
| Individuele aandelen | Ja, met vrijstelling | Nee | 0,35 % |
| Aandelen-ETF (IWDA, VWCE) | Ja, met vrijstelling | Nee | 0,12 % |
| Individuele obligatie | Ja, op de koerswinst | Nee | 0,12 % |
| Obligatiefonds of gemengd fonds | Alleen op het niet-rentedeel | Ja, op het rentedeel | 0,12 – 1,32 % |
| Crypto | Ja, met vrijstelling | Nee | Geen |
De Reynderstaks kent geen vrijstelling
Dit is het punt dat het meeste geld kost. Belegt een fonds voor minstens 10 % in obligaties, dan blijft de oude Reynderstaks gelden: 30 % roerende voorheffing op het interestdeel van je winst. Die twee heffingen stapelen niet — het interestdeel valt buiten de basis van de meerwaardebelasting, dus je betaalt nergens dubbel.
Maar de vrijstelling van € 10.000 geldt alleen voor de meerwaardebelasting, niet voor de Reynderstaks. Het gevolg is scherp. Realiseer je € 5.000 winst op een individuele obligatie, dan betaal je niets: de winst valt onder de vrijstelling. Realiseer je diezelfde € 5.000 op een zuiver obligatiefonds, dan betaal je € 1.500 — dertig procent vanaf de eerste euro.
Dat maakt individuele obligaties fiscaal aanzienlijk aantrekkelijker dan obligatiefondsen, zeker voor wie onder de vrijstellingsdrempel blijft. Bij zuivere aandelen-ETF's speelt de Reynderstaks niet, want die beleggen niet in obligaties.
Crypto: twee sporen naast elkaar
Cryptomunten vallen gewoon onder het tarief van 10 % met de vrijstelling, zolang het gaat om normaal beheer van je privévermogen. Beoordeelt de fiscus je gedrag als speculatief, dan geldt het oude tarief van 33 % plus gemeentebelasting, en dan vervalt de vrijstelling volledig.
Er bestaat geen vast aantal transacties dat die grens bepaalt. De fiscus kijkt naar het geheel: hoe vaak je handelt, hoe kort je posities aanhoudt, of je met hefboom werkt en of je met geleend geld belegt. Op € 30.000 winst is het verschil aanzienlijk — € 2.000 tegenover € 9.900.
Wat er nog naast staat
De beurstaks betaal je bij elke aan- én verkoop, los van winst of verlies. Dividenden en coupons blijven onderworpen aan 30 % roerende voorheffing; die staan volledig los van de meerwaardebelasting, want dat is inkomen en geen meerwaarde.
De vrijstelling van € 10.000
Elke belastingplichtige heeft recht op een vrijstelling van € 10.000 per jaar, een bedrag dat jaarlijks geïndexeerd wordt. Gehuwden met gemeenschap van goederen tellen die vrijstelling samen tot € 20.000, ook als de effectenrekening maar op naam van één partner staat.
Gebruik je de vrijstelling in een jaar niet, dan groeit ze het volgende jaar met € 1.000 aan, en dat maximaal vijf jaar lang. De vrijstelling kan zo oplopen tot € 15.000 per persoon, of € 30.000 voor een koppel. Voor inkomstenjaar 2026 is er logischerwijs nog niets over te dragen — die opbouw begint pas in 2027.
De waarde op 31 december 2025 is je vertrekpunt
Winst die je vóór 2026 opbouwde blijft onbelast. Voor effecten die je al langer bezat, geldt daarom de slotwaarde op 31 december 2025 als fiscale aanschaffingswaarde, niet je oorspronkelijke aankoopprijs.
Lag je werkelijke aankoopprijs hóger dan die slotwaarde, dan mag je die hogere prijs gebruiken — dat verlaagt je belastbare winst. Die keuze geldt alleen voor verkopen tot en met 31 december 2030, en je moet ze kunnen bewijzen. Zonder bewijsstukken hanteert de fiscus een aanschaffingswaarde van nul en wordt de volledige verkoopprijs belast. Bewaar je aankoopborderellen dus zorgvuldig.
Minwaarden: enkel binnen hetzelfde jaar
Verliezen zijn aftrekbaar van winsten, maar alleen binnen hetzelfde inkomstenjaar en alleen voor verkopen vanaf 2026. Je kunt nooit meer aftrekken dan je totale meerwaarde van dat jaar, en een overschot draag je niet over naar het volgende jaar. Realiseer je in een jaar enkel verlies, dan levert dat fiscaal niets op.
Waarop de belasting niet van toepassing is
- Pensioensparen en langetermijnsparen
- Gewone spaar- en zichtrekeningen
- Meerwaarden gerealiseerd binnen een vennootschap — daar geldt de vennootschapsbelasting
- Niet-inwoners van België
Aanmerkelijk belang: een heel ander regime
Bezit je op het moment van verkoop minstens 20 % van de aandelen van een vennootschap, dan val je onder een gunstiger stelsel met getrapte tarieven. De eerste € 1.000.000 is vrijgesteld, maar die vrijstelling is een rugzak per vijf jaar en geen jaarlijks recht.
De drempel van 20 % wordt strikt toegepast en per persoon bekeken — aandelen van je partner of familieleden tellen niet mee. Bij 19,9 % val je terug op het vlakke tarief van 10 %.
Twee uitzonderingen die zwaar doorwegen: verkoop je aan een vennootschap buiten de Europese Economische Ruimte, dan geldt 16,5 %. Verkoop je aan een vennootschap die je zelf controleert, bijvoorbeeld je eigen holding, dan loopt het tarief op tot 33 %. Die laatste regel is er om interne meerwaardeconstructies af te remmen.
Veelgestelde vragen
Moet ik aangifte doen als mijn bank al inhoudt?
Niet verplicht, maar bijna altijd in je nadeel om het niet te doen. Wil je de vrijstelling benutten, minwaarden verrekenen of een hogere historische aankoopprijs inbrengen, dan moet dat via je aangifte personenbelasting. Aangifte doen is sowieso verplicht voor meerwaarden op buitenlandse rekeningen, cryptomunten, vreemde valuta en fysiek goud.
Wat als ik meerdere effectenrekeningen heb?
De vrijstelling geldt per persoon, niet per rekening. Je telt alle meer- en minwaarden van al je rekeningen samen. Elke bank houdt wel afzonderlijk in, wat de kans op te veel ingehouden belasting nog groter maakt.
Geldt dit ook voor cryptomunten?
Ja. Het begrip financiële activa wordt ruim geïnterpreteerd en omvat onder meer cryptoactiva, vreemde valuta en beleggingsgoud. Bij normaal beheer geldt het tarief van 10 % met de jaarlijkse vrijstelling. Bij speculatief beheer blijft het oude tarief van 33 % gelden, zonder vrijstelling. Omdat je bank of platform niets van je crypto weet, moet je die meerwaarden altijd zelf aangeven.
Waarom betaal ik meer op een obligatiefonds dan op een obligatie?
Omdat op fondsen met minstens 10 % obligaties de Reynderstaks van 30 % blijft gelden op het interestdeel, en die kent geen vrijstelling. Op een individuele obligatie geldt alleen de meerwaardebelasting van 10 %, mét de vrijstelling van € 10.000. Bij bedragen onder die drempel betaal je op een individuele obligatie dus niets en op een obligatiefonds wel.
Wat gebeurt er met verkopen uit begin 2026?
De wet werd pas op 3 april 2026 gestemd maar geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026. Voor de eerste maanden bestaat een overgangsregeling; sommige banken houden retroactief in, andere laten het aan jou over. Vraag bij je bank op hoe zij dat concreet aanpakt.